Republikeinse burgerzin – iets voor morgen?

Voordracht gehouden door Philipp Bekaert, woordvoerder van de Republikeinse Kring (CRK vzw) op 21 februari 2006 om 20u in het Karel Cuypershuis (Humanistisch Verbond Antwerpen), Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen.

Inleiding

Opmerking vooraf: met monarchie bedoel ik de constitutionele monarchie, met republiek bedoel ik een democratische republiek volgens Westerse maatstaven. Laten we vergelijken wat vergelijkbaar is.

In België komen de jongste tijd steeds meer stemmen op om de koninklijke bevoegdheden te beperken of zelfs om de monarchie helemaal af te schaffen. Verschillende Vlaamse partijen (VLD, NVA, Spirit) en Ecolo hebben republikeinse standpunten op de agenda geplaatst.
Voor de meeste Franstalige partijen blijft de zaak onbespreekbaar. Voor de meeste Vlaamse partijen is de zaak wél bespreekbaar – maar niet dringend. Politici weten immers wie in België de ministers benoemt, en voor republikeinen die hun “coming out” doen, is een carrière in de Wetstraat zo goed als onmogelijk.
Het is ook moeilijk om de graad van koningsgezindheid van de Belgen in te schatten. Voor velen is de monarchie onlosmakelijk verbonden met België, en voor velen is ook de republiek onlosmakelijk geassocieerd met het Vlaams Belang, om maar twee van de talrijke clichés te noemen. Velen noemen zich dan maar principieel republikeins, maar monarchist uit pragmatische overwegingen. Maar de reacties op de jongste uitspraken van de koning aan de “gestelde lichamen” hebben eens te meer aangetoond dat de constitutionele monarchie, die als stabiliteitsfactor wordt gepromoot, in feite een broze constructie is.
Dit ga ik nu proberen rationeel te argumenteren.

Wat is democratie?

Je hoort vaak dat de monarchie democratisch is omdat de meeste Belgen pro zijn. Deze laatste bewering werd en wordt echter nooit bewezen. Dat argument is populistisch en weinig democratisch. Democratie betekent niet dat alles wat het volk “wil” ook werkelijkheid moet worden:
- Hoe en wie bepaalt wat het volk wil?
- Hoe en wie licht voor het volk complexe materies toe?
- Hoe en wie formuleert de vragen bij referenda?

Hieruit blijkt dat je in een moderne democratie het filter van een parlement nodig hebt, d.w.z. van een politieke klasse die ook met complexe materies kan omgaan, om het debat te verrijken in plaats van te beperken. Stellen dat het merendeel van de bevolking het koningshuis wil behouden, volstaat niet. Voor je de monarchie als democratisch of ondemocratisch bestempelt, moet je weten wat je met democratie bedoelt.

Een moderne democratie moet aan verschillende basisvoorwaarden voldoen:
1) legitimiteit
2) pluraliteit en evolutie
3) periodisering van het gezag
4) scheiding der machten
5) vrijheid van meningsuiting.

Laten we nu elk van die belangrijke principes onder de republikeinse loep nemen.

Legitimiteit

Al wie aan een gezag onderworpen is, heeft het recht om rechtstreeks of onrechtstreeks mee te bepalen wie dat gezag uitoefent.
Wie gezag uitoefent, moet verantwoording afleggen en kan politiek of juridisch gesanctioneerd worden.
Het erfelijke karakter van de monarchie, de koninklijke onschendbaarheid, de ministeriële verantwoordelijkheid en het motto “De kroon mag niet ontbloot worden” druisen in tegen dit principe.

Pluraliteit en evolutie

Zowel individu als maatschappij bestaan uit verschillende componenten en veranderen voortdurend (ook van mening). De democratie aanvaardt deze diversiteit van belangen, ideeën, cultuur enz. en het debat als een verrijking. Het totalitarisme vreest en negeert deze diversiteit (individu en maatschappij zijn van één stuk en moeten zo blijven).
De monarchie, zeggen de monarchisten zelf, symboliseert eenheid en continuïteit, dus net het tegendeel van pluraliteit en evolutie – en totalitaire illusies.
Het motto “De kroon mag niet ontbloot worden” druist in tegen het principe dat een transparant debat de maatschappij verrijkt.

Periodisering van het gezag

De periodisering van het gezag – o.a. via regelmatige verkiezingen – vloeit voort uit het aanvaarden van pluraliteit en evolutie: de mening van het volk staat nooit definitief vast en moet steeds kunnen worden herzien.
Over de monarchie is maar één keer gestemd: in 1830, door de vertegenwoordigers van de ca. 40 000 geprivilegieerde mannen van het censuskiesrecht. Sindsdien is het alsof onze vertegenwoordigers inzake de functie van staatshoofd het toeval van de erfelijkheid telkens weer carte blanche geven.

Scheiding der machten

De uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht moeten van elkaar onafhankelijk zijn.
In België is de koning grondwettelijk betrokken bij de wetgevende macht (hij “bekrachtigt de wetten en kondigt ze af”; o.a. de abortuskwestie in 1990 heeft aangetoond dat dit geen loze woorden zijn), bij de uitvoerende macht (de koning is hoofd van de federale executieve en stuurt de regeringsvorming), en bij de rechterlijke macht (via de benoeming van rechters).

Vrijheid van meningsuiting

Dit impliceert ook het recht op satire.
Het majesteitsbeledigingsmisdrijf druist hiertegen in.

De monarchie is dan ook principieel in strijd met de Universele Verklaring van de rechten van de mens, waarin de eerder genoemde principes bevat zijn:
Art. 1: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.”
Art. 21: “Eenieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers. Eenieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land. De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de overheid; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen […].”

Feitelijke en symbolische macht

“De koning heerst maar regeert niet”. Hiermee proberen de voorstanders van de constitutionele monarchie het gebrek aan democratische legitimiteit van de instelling goed te praten, maar de koninklijke functie in België is in feite verre van louter protocollair. De koning hééft macht, feitelijk en symbolisch, en daar wordt geregeld gebruik of zelfs misbruik van gemaakt.

Met mijn kritiek op de monarchie wil ik zeker niet beweren dat het staatshoofd van een republiek geen macht heeft en daar geen misbruik van kan maken, maar in een republiek kan het staatshoofd steeds ter verantwoording worden geroepen. Dit is een fundamenteel verschil. De Belgische monarchie is een schijnheilige constructie: de koning is zogezegd apolitiek, hij staat “boven de partijen”, maar tegelijk moet hij politiek handelen om zijn grondwettelijke functie te kunnen uitoefenen. De republiek is minder schijnheilig: het staatshoofd heeft een politieke kleur die iedereen kent, hij is verantwoordelijk voor zijn daden, en kan weggestemd worden. Net als de Belgische eerste minister trouwens, zonder dat dit ooit voor problemen zorgde.

Naast zijn grondwettelijke bevoegdheden beschikt de koning over andere soorten macht, die niet door de Grondwet afgebakend en daarom des te gevaarlijker zijn: invloed (achter de schermen) en symbolische macht (in het openbaar).

De regel dat de kroon niet ontbloot mag worden, laat de koning toe achter de schermen invloed uit te oefenen zonder daarvoor verantwoording te moeten afleggen. Zijn imago blijft ongeschonden, wat er onder zijn invloed ook moge gebeuren. Dit leidt o.a. tot het cliché van een heilige, zuivere koning tegenover een incompetente of zelfs corrupte politieke klasse. Het draagt zeker bij tot het vaak rampzalige imago van de verkozenen des volks in België.

In het openbaar beschikt de monarchie over symbolische macht in de vorm van een aanzienlijk moreel gezag, dat evenwel ongegrond is (want het vloeit voort uit een erfelijke titel en niet uit eigen realisaties). Het koningshuis gebruikt dat gezag ook om zijn eigen politieke agenda door te drukken.

Voor een instelling zonder democratische legitimiteit betekent dit erg veel tastbare macht. De abortuscrisis van 1990 is een schoolvoorbeeld van de schade die de invloed en de symbolische macht van de monarchie aan de parlementaire democratie kunnen berokkenen.

Machtsmisbruik

Tussen 30 maart en 5 april 1990 verklaarde Koning Boudewijn zich in de onmogelijkheid te regeren om de abortuswet niet te moeten ondertekenen. Hij gaf premier Wilfried Martens de opdracht een constitutionele oplossing te vinden. Hiervoor gebruikte premier Martens achtereenvolgens de artikels 82 (nu 93) en 79 (nu 90) van de Grondwet.
Artikel 82/93 voorziet in de vaststelling van de onmogelijkheid te regeren indien de koning geestesziek of gedwongen afwezig (bv. krijgsgevangen) is. Kortom, indien de koning niet kan regeren, niet indien hij niet wil regeren. Artikel 82/93 is trouwens heel expliciet en bepaalt dat de ministers de onmogelijkheid moeten laten vaststellen (bv. door artsen), maar in 1990 stelden de ministers de onmogelijkheid dan maar zelf vast. Artikel 82 eist ten slotte de onmiddellijke bijeenroeping van de Verenigde Kamers om in het regentschap te voorzien, en niet, zoals gebeurde, om een ongrondwettelijke onmogelijkheid te regeren te beëindigen.
Volgens artikel 79/90 van de Grondwet oefent de ministerraad bij overlijden van de koning diens macht uit tot aan de eedaflegging van zijn troonopvolger of van de regent. Dit artikel werd gewoonweg valselijk toegepast op de onmogelijkheid te regeren en in die zin vervalst geciteerd door premier Martens voor de Verenigde Kamers op 5 april 1990.

Ik wens hier hulde te brengen aan de toenmalige senator Eric Gryp. Hij interpelleerde premier Martens op 19 april 1990 over deze openlijke schending van de Grondwet… en kreeg nooit antwoord. Ik heb hier uitvoerig gebruik gemaakt van zijn nota’s. De grondwetvervalsing zelf kan in de Parlementaire Handelingen worden nagetrokken.

Deze constitutionele klucht veroorzaakte een schokgolf door heel het land. En toch stemde in het parlement maar één persoon tégen Boudewijns terugkeer in het koningsambt. Alle anderen stemden ervoor of onthielden zich. Dit is heel opmerkelijk, en kwatongen beweren dat het paleis toen naar de partijtoppen heeft gebeld om eraan te herinneren wie bij de volgende regeringsvorming de ministers zou benoemen. Tot die kwatongen behoor ik, evenals Eric Gryp. Hij kan het weten, hij was toen senator.

De dubbele schending van de Grondwet hoefde eigenlijk niet. Dat de koning een wet ondertekent, betekent niet dat hij ermee instemt. Dat zou in de praktijk onmogelijk zijn. De ondertekening is een gebonden bevoegdheid, een soort notariële bekrachtiging dat de wet volgens de democratische spelregels tot stand is gekomen. Boudewijn was niet helemaal incompetent en wist dat. Maar hij wou al zijn symbolische macht gebruiken om een christelijke boodschap de wereld in te sturen. Én hij wou zijn troon behouden. Want gesteld dat zijn geweten hem echt verbood die wet te ondertekenen, was een definitieve troonsafstand de enige elegante en eerlijke oplossing geweest.

Door zijn houding discrediteerde de koning de verkozenen des volks. Bepaalde christen-democratische ministers moesten in plaats van de koning een wet ondertekenen waartegen zij in het parlement gestemd hadden.

Dat de regering en het parlement deze macabere klucht en een dubbele schending van de Grondwet duldden, toont aan hoe groot de invloed van de koning kan zijn. Het staat nu trouwens vast dat de abortuswet er zonder de systematische tegenwerking van Boudewijn wel vijftien of twintig jaar vroeger was gekomen.

De abortuskwestie maakte vooral duidelijk dat de constitutionele monarchie op een foute hypothese gebaseerd is: het staatshoofd staat niet boven de partijen. Ten laatste sinds 1990 weet iedereen die het wil weten, dat de koning niet de koning van álle Belgen is.

Nu zou je bedarend kunnen stellen dat dit een one-shot was, maar het verhaal kreeg een staartje. In het boek België en zijn koningen (door Marc van den Wijngaert et al.) lezen we dat het hof in 1995 (vermoedelijk met het oog op de euthanasiewet die toen in de maak was) de partijtoppen contacteerde met een project om het staatshoofd in de toekomst toe te laten een wet “met voorbehoud” te ondertekenen: met de vermelding dat dit enkel gebeurde op grond van zijn grondwettelijke plicht. Er zou dus een onderscheid worden gemaakt tussen wetten die de persoonlijke instemming van de koning vinden, en de andere. Gelukkig mislukte het opzet van het paleis.
De auteurs van het boek België en zijn koningen concluderen dat de enige les die het paleis uit de hele abortuskwestie trok, toch wel opmerkelijk is: de Grondwet moest aan de koning worden aangepast. Terwijl in een parlementaire democratie juist het omgekeerde de enige aanvaardbare oplossing zou geweest zijn.

Ook recentelijk is er niets veranderd: druk op justitie (in het proces tegen de “vier van Butare” in 2001), op de Vlaamse regering en administratie (klooster te Opgrimbie), op een senaatscommissie (euthanasie), op de privé-sector (Fortis, vermoedelijk ook Sabena), minachting voor de burgerlijke ten voordele van kerkelijke instellingen bij prinselijke huwelijken, of het feit dat koninklijke spruiten nooit naar “koninklijk” atheneum, een openbare school dus, gestuurd worden, maar systematisch naar katholieke privé-scholen. Dit is maar het topje van de ijsberg. De monarchie heeft banden met de fundamentalistisch christelijke charismatische beweging én met de financieel-economische elite van het land. Men kan zich terecht afvragen of het staatshoofd wel degelijk zó onafhankelijk is, en of het algemeen belang altijd wel zwaarder weegt dan meer particuliere belangen.

Creatief durven nadenken over de republiek

Veel democraten beseffen, zij het intuïtief, dat de monarchie in theorie en praktijk tekortschiet. Wat belet ons dan creatief over de republiek na te denken?

De republikeinse extremisten

Zijn alle vegetariërs nazi’s omdat Hitler vegetariër was? Het feit dat het Vlaams Belang zich soms republikeins profileert (bv. in zijn “Proeve van Grondwet van de Republiek Vlaanderen”), maakt niet van alle republikeinen fascisten.
Het VB heeft het gemunt op de monarchie als Belgisch symbool, maar in het programma van de partij is er enkel sprake van een “Vlaamse staat”, het woord republiek komt er nergens voor. Integendeel, het VB heeft in maart 2001 een wetsvoorstel ingediend waarmee het de troon van België toegankelijk wil maken voor het Nederlandse koningshuis. De republiek als participatieve visie op de samenleving heeft per definitie niets te maken met het fascisme van het VB, dat niet eens in staat is om zijn voorzitter democratisch te verkiezen.

De monarchie als bindmiddel

Als de eenheid van België alleen met behulp van een feodale instelling te redden is, wat voor zin heeft die eenheid dan nog op lange termijn?
En als België in de ogen van zijn burgers één land moet blijven, dan heeft het geen monarchie nodig om zijn eenheid te bewaren.
Hoe je het wendt of keert, het bindmiddel-argument is absurd. België is het bindmiddel van de monarchie, maar niet omgekeerd!

De president als vogelschrik

Of: wie wil er nu een president naar Frans of naar Amerikaans model? Bovendien zorgt de keuze van een president voor een taalprobleem. En een president is dan nog duurder dan een koning, presidentsverkiezingen zijn duur.

Wie republiek of president zegt, denkt vaak aan Frankrijk of aan de VS, terwijl Duitsland, Zwitserland of Tsjechië waarschijnlijk betere modellen zouden zijn voor onze contreien (met een “discrete” president).

Wat het taalprobleem betreft: in Zwitserland leven vier taalgemeenschappen samen in één federale republiek, en je hoort er weinig over taalstrijd. Ik zeg niet dat we Zwitserse structuren klakkeloos moeten overnemen, maar gewoon: als de politieke wil bestaat, kunnen verschillende taalgemeenschappen wel degelijk in één republiek samenleven, al de rest zijn royalistische indianenverhalen.

Wat de prijs van de republiek betreft: op principieel vlak kun je opperen dat de prijs van weinig belang is als het gaat om méér democratie. Alles hangt ook af van het type republiek waarvoor gekozen wordt. Een “discrete” president naar Duits, Zwitsers of Tsjechisch model is niet zo duur als een “monarchaal” president zoals in Frankrijk of de VS – en zeker niet zo duur als een heel koningshuis (civiele lijst en dotaties voor Fabiola, Filip, Astrid en Laurent: ca. 8 miljoen EUR of 320 miljoen BEF)!

Een representatieve functie en haar symboliek

Het koningshuis is financieel, materieel en psychologisch afgeschermd. Die mensen gaan waarschijnlijk nooit zelf naar de bakker of naar de krantenwinkel, ze zijn aan de samenleving ontrukt, van kindsbeen af. Ik las ooit in de krant dat de twee kokkinnen van koningin Paola in haar villa bij het Franse Grasse ontslag moesten nemen wegens ziekte. Paola was bezorgd dat ze straks zelf achter het fornuis moest gaan staan. In dezelfde krant stond dat prinses Astrid graag wou verhuizen. Ze woonde al drie jaar in een villa waarvan de renovatie zo’n 500 000 € gekost had, maar ze had haar oog laten vallen op een domein in Kraainem… dat natuurlijk eerst gerenoveerd moest worden.
Ik schreef toen een artikel met de titel “Andere zorgen”. Alle Belgen zijn gelijk voor de wet, maar koningen en koningskinderen hebben echt andere zorgen. Natuurlijk geniet het staatshoofd van een republiek ook bepaalde materiële voordelen, maar niet van jongs af. Een president is ooit zelf naar de bakker of naar de krantenwinkel geweest, hij is ooit één van ons geweest, hij heeft ooit onze zorgen gedeeld en zal ze blijven delen. Een koning leeft elders, en dat is het probleem met de monarchie: ze hebben andere zorgen.
De monarchie infantiliseert burgers en politici via een “ontrukte” vaderfiguur, die het volk in laatste instantie tegen zijn eigen tekortkomingen zal beschermen en het van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid vrijstelt. Maar een vaderfiguur is gevaarlijk in de politiek. De politiek heeft geen kinderen nodig, maar volwassen burgers. Door haar politieke rol in de schaduw te spelen en via oppervlakkige manifestaties de aandacht van de bevolking af te leiden van het ware politieke gebeuren, draagt ze bij tot een vorm van fascisering van de samenleving, waarbij politiek tot een show gereduceerd wordt en de ware ideologische agenda voor de burgers verborgen blijft.

De republiek als meerwaarde in burgerzin

De Belgen staan bekend als pragmatici, ze houden van “gezond verstand” (of wat daarvoor moet doorgaan), grote humanistische principes zijn niet aan hen besteed. Vandaar het beeld van een joviaal koninkrijkje dat zonder grote woorden of hoogdravende principes bijna alle problemen op een originele manier oplost.
Velen kunnen heel goed met het huidige systeem leven. De burger begrijpt weinig van politiek (dat merk ik in mijn klassen of telkens als ik ga stemmen). De burger is geen burger. In dat systeem is de burger een cliënt. Hij werkt met lobby’s (Francorchamps, Zaventem) en verwacht op maat gesneden diensten.
België is berucht om de ondoorzichtige ziekte welke cliëntelisme heet. De meest duidelijke politieke expressie ervan blijft de occulte werking van de monarchie.

En librairie :